Gedachtekronkels

Een poging de (korte) gedichten in mijn hoofd een plek te geven.

DIER

als mensen dieren worden kleden ze zich uit
verdwijnen borsten billen en lange benen
krommen schouders terug naar de grond

dan zijn ze zacht en simpel te verstaan
kleine dingen die dutjes doen in de duisternis
en het liefst aaien ze elkaar
of eten en drinken wat

maar zo naakt zijn ze niet vaak
ze stoppen hun diertjes diep weg
kopen lampen tegen de nacht
en pillen om te slapen

Ziek

Geestelijk ziek zit vanbinnen, je ziet
het op de plaatsen waar de huid dun is en binnen
naar buiten druipt. Het trekken van de mond
de lijnen van de handen. Het is zichtbaar als een schaduw,
soms wat minder, soms meer,
vooral als er licht op valt.

Lichamelijk ziek komt van buiten en vecht zich van binnen
de ogen tranen, dan maakt het bootjes en vecht zich in je hoofd.
Je mond staat open, dan legt het zich op je tong
laat het zich doorslikken.
Eenmaal doorgeslikt kun je het enkel nog uitspugen.

Beter geef je zieke mensen lakens en doekjes voor de ogen,
je blijft uit hun buurt, met mond en ogen gesloten - minder opvallend
in de trein druk je je in jouw hoekje
kijk je strak naar buiten.

Zieke mensen mogen niet.

jongedichters.weebly.com

Mijn site. Over dichten. Niet over mij, maar over dichten. Als pws. Dus KLIK.

Commentaren en bezoekers (dat laatste is beter voor mijn cijfer, denk ik) zijn zeeer gewenst.

Ik zie sloten melkwit dichttrekken
hun ijsvesten dichtritsen
zachtjes nader sluipen
als glanzende spiegels
op fietsers wachten

De wereld is te groot voor mij, ik kom niet verder dan mijn broodbeleg

En ik wilde mezelf troosten met stukjes chocolade,
met stukjes groen op mijn kaas zodat het fris en lente werd.
ik wilde mezelf troosten omdat ik bang ben voor mensen
voor afgewezen worden, voor falen en Grote en Abstracte zaken.
Ik wilde mezelf troosten
als ik wakker werd gemaakt in het donker
en dan wist dat ik de dingen op mijn brood wel lekker zou vinden
al smaakt de wereld me nog zo vies.

De wind die door de straten blaast,
is de laatste adem
van een meisje rond kerst.

Ze waait nu nog niet door deze straten,
ze is nog niet gestorven,
ligt nog zacht kloppend en warm
in de schoot van de nacht.

De sterren kleuren haar huid een beetje blauw
en haar adem trekt ondiepe heuveltjes
in het zand.

De aderen in haar polsen kloppen zachtjes,
slaan nog niet dicht
weten nog niet -

hoe de nacht uiteen gescheurd zal zijn
als de zon opkomt. Hoe haar handen verdwaalt
hoe zijn bloed onder haar nagels
zijn nagels in haar hals hoe

haar doodskreet later tot hier verwaait.

Liefde in gedimd kaarslicht

Toen ik de kaarsen opstak,
en nog eens aan je dacht:

aan je stil
met ogen betoveren
ach aan je aan je
ja
hoe ook al weer?

toen dacht ik: ach
dit is verloren.

De kaarsen heb ik
uitgeblazen
weggegeven,
daarmee had ik ‘t ook wel weer gehad.

Meisje

Heb jij ook die grijze waas nog onder je ogen
van de make-up die je nooit afhaalt
omdat je ogen zo gaan prikken
van dat spul
dat blauwe stinkende spul
en die roze olie
en al het andere
heb je ook genoeg van rode ogen, van kale ogen, van pijnlijke
prikkende ogen? Heb je daarom
van die grijze wazen onder je ogen
die je herkent bij anderen
die vaak huilen
of om andere redenen pijnlijke ogen hebben?

Amsterdam Amersfoort

Benen van mensen zweven
in het luchtledige
terwijl een panter langs de ramen sluipt

ik zie de nagels
voor het vastgrijpt
en fluistert

ik zie de mobieltjes
voor ze vastgrijpen
en de stilte openschreeuwen

verschrikte benen rollen weg.

bij gebrek aan woorden
zweeg de vreemdeling
in de stilte tussen de regels
kon je zijn tranen horen