Gedachtekronkels

Een poging de (korte) gedichten in mijn hoofd een plek te geven.

Er zijn geen bleke handen zonder blauwe lijnen en geen hoofden
zonder woorden, behale de hoofden die enkel beelden kennen en de hoofden
van mensen die doof en blind geboren zijn.

De gedachten die je kunt vormen als je doof en blind geboren bent
kunnen enkel bestaan uit wat voor jou je wereld is. Je denkt
in aanrakingen en smaken. In zacht zoet aai draag je handen zijn vlakken
waarvan ik weet hoe je zweet en hoe warm en hoe ver de druk van je handpalm van je
vingers is. Zo onderscheid je moeder vader en onbekende.

De wereld ligt buiten en binnen je deuren. Binnen zijn er vertrouwde dingen
in het woord alleen al kun je schuilen. Buiten is raar en vreemd
meer aan verandering onderhevig - of: dat is beter te zien. Je kunt buiten op de trein
stappen, dan ben je even binnen, en waar je uitstapt is het weer anders.

Je kunt het weer voelen op je huid. Het is koud of warm of nat of droog. Als je doof
en blind geboren bent dan kun je misschien de bui voelen hangen in de lucht die
beneden op deze regen wacht.

Als je de bui kunt voelen hangen kun je je weer een weg naar binnen zoeken. Naar onder
de bomen die je niet kunt zien maar wel kunt ruiken. Ik vraag me af of iemand
die kan zien noch horen het verschil tussen bomen zoveel beter kan ruiken. Ik ruik
alleen de kerstboom en natte bomen, maar misschien word je daar beter in als je niets
kunt zien en niemand het je kan zeggen.

Ik denk alleen dat jij en ik elkaar dat nooit zouden kunnen zeggen. Ik kan mijn handen
op jouw armen en je kunt misschien je mond zo doen en dat mijn oren dan - maar
elkaars talen kennen we niet, elkaars gedachten spreken we niet.

DIER

als mensen dieren worden kleden ze zich uit
verdwijnen borsten billen en lange benen
krommen schouders terug naar de grond

dan zijn ze zacht en simpel te verstaan
kleine dingen die dutjes doen in de duisternis
en het liefst aaien ze elkaar
of eten en drinken wat

maar zo naakt zijn ze niet vaak
ze stoppen hun diertjes diep weg
kopen lampen tegen de nacht
en pillen om te slapen

Ziek

Geestelijk ziek zit vanbinnen, je ziet
het op de plaatsen waar de huid dun is en binnen
naar buiten druipt. Het trekken van de mond
de lijnen van de handen. Het is zichtbaar als een schaduw,
soms wat minder, soms meer,
vooral als er licht op valt.

Lichamelijk ziek komt van buiten en vecht zich van binnen
de ogen tranen, dan maakt het bootjes en vecht zich in je hoofd.
Je mond staat open, dan legt het zich op je tong
laat het zich doorslikken.
Eenmaal doorgeslikt kun je het enkel nog uitspugen.

Beter geef je zieke mensen lakens en doekjes voor de ogen,
je blijft uit hun buurt, met mond en ogen gesloten - minder opvallend
in de trein druk je je in jouw hoekje
kijk je strak naar buiten.

Zieke mensen mogen niet.

jongedichters.weebly.com

Mijn site. Over dichten. Niet over mij, maar over dichten. Als pws. Dus KLIK.

Commentaren en bezoekers (dat laatste is beter voor mijn cijfer, denk ik) zijn zeeer gewenst.

Ik zie sloten melkwit dichttrekken
hun ijsvesten dichtritsen
zachtjes nader sluipen
als glanzende spiegels
op fietsers wachten

De wereld is te groot voor mij, ik kom niet verder dan mijn broodbeleg

En ik wilde mezelf troosten met stukjes chocolade,
met stukjes groen op mijn kaas zodat het fris en lente werd.
ik wilde mezelf troosten omdat ik bang ben voor mensen
voor afgewezen worden, voor falen en Grote en Abstracte zaken.
Ik wilde mezelf troosten
als ik wakker werd gemaakt in het donker
en dan wist dat ik de dingen op mijn brood wel lekker zou vinden
al smaakt de wereld me nog zo vies.

De wind die door de straten blaast,
is de laatste adem
van een meisje rond kerst.

Ze waait nu nog niet door deze straten,
ze is nog niet gestorven,
ligt nog zacht kloppend en warm
in de schoot van de nacht.

De sterren kleuren haar huid een beetje blauw
en haar adem trekt ondiepe heuveltjes
in het zand.

De aderen in haar polsen kloppen zachtjes,
slaan nog niet dicht
weten nog niet -

hoe de nacht uiteen gescheurd zal zijn
als de zon opkomt. Hoe haar handen verdwaalt
hoe zijn bloed onder haar nagels
zijn nagels in haar hals hoe

haar doodskreet later tot hier verwaait.

Liefde in gedimd kaarslicht

Toen ik de kaarsen opstak,
en nog eens aan je dacht:

aan je stil
met ogen betoveren
ach aan je aan je
ja
hoe ook al weer?

toen dacht ik: ach
dit is verloren.

De kaarsen heb ik
uitgeblazen
weggegeven,
daarmee had ik ‘t ook wel weer gehad.

Meisje

Heb jij ook die grijze waas nog onder je ogen
van de make-up die je nooit afhaalt
omdat je ogen zo gaan prikken
van dat spul
dat blauwe stinkende spul
en die roze olie
en al het andere
heb je ook genoeg van rode ogen, van kale ogen, van pijnlijke
prikkende ogen? Heb je daarom
van die grijze wazen onder je ogen
die je herkent bij anderen
die vaak huilen
of om andere redenen pijnlijke ogen hebben?

Amsterdam Amersfoort

Benen van mensen zweven
in het luchtledige
terwijl een panter langs de ramen sluipt

ik zie de nagels
voor het vastgrijpt
en fluistert

ik zie de mobieltjes
voor ze vastgrijpen
en de stilte openschreeuwen

verschrikte benen rollen weg.

bij gebrek aan woorden
zweeg de vreemdeling
in de stilte tussen de regels
kon je zijn tranen horen

Nooit meer thuis

En wat als je voetstappen niet in het zand mogen staan
dat je at toen je een kleuter was en zandtaartjes bakte
aan de rand van de zandbak en precies wist hoeveel hard
en hoeveel zacht zand je moest doen voor het allerzachtste
taartje

en hoe je zo bijna een tovenaar was

en hoe het zand nu wegwaait en jij teruggaat
en je nooit zoveel zand zag
en dat het wel nat is
maar van bloed
en dat het wel droog is
maar van honger
en dat het nooit
zandtaart wordt.

Mooie mensen

Er zijn mensen waarvoor de wereld zou willen sterven
zou ze beseffen hoe mooi ze waren,
hoe zacht zelfs hun schaduw is,
hoe men gekoesterd kan worden in een glimlach
oogopslag
voetstap.

Verdronken

Een man met een stropdas wacht
Aan de kant van de beek
Die Nederlandse politiek heet
En hij weet dat niemand zwemmen zou
Voor het leven van de man met de stropdas

Dan laat hij zich vallen
En de stroom neemt zijn stropdas
En het water neemt zijn gezicht
En zijn lichaam drijft in het beekje
Zijn linkerhand raakt de rechteroever
Zijn rechtervoet de linkerkant

Dan duiken de vissen dieper het water in
Omdat ze zich schamen voor dit dode lichaam
Dat niet langer een façade is
Dat het laat zien dat er een mens geweest moest zijn
Die in zijn leven kwijt was
Die nu dood is

Articulatie

Ik moet opnieuw leren praten
zodat je me zult verstaan
in je koppigheid van je handen voor je oren
vooral de r en t vragen om aandacht.

Ik zal mijn mond weer moeten openen
alsof ik voortdurend schreeuw
en dan langzamer dan ooit
je aandacht vragen
je blik trekken
praten.