Er zijn geen bleke handen zonder blauwe lijnen en geen hoofden
zonder woorden, behale de hoofden die enkel beelden kennen en de hoofden
van mensen die doof en blind geboren zijn.
De gedachten die je kunt vormen als je doof en blind geboren bent
kunnen enkel bestaan uit wat voor jou je wereld is. Je denkt
in aanrakingen en smaken. In zacht zoet aai draag je handen zijn vlakken
waarvan ik weet hoe je zweet en hoe warm en hoe ver de druk van je handpalm van je
vingers is. Zo onderscheid je moeder vader en onbekende.
De wereld ligt buiten en binnen je deuren. Binnen zijn er vertrouwde dingen
in het woord alleen al kun je schuilen. Buiten is raar en vreemd
meer aan verandering onderhevig - of: dat is beter te zien. Je kunt buiten op de trein
stappen, dan ben je even binnen, en waar je uitstapt is het weer anders.
Je kunt het weer voelen op je huid. Het is koud of warm of nat of droog. Als je doof
en blind geboren bent dan kun je misschien de bui voelen hangen in de lucht die
beneden op deze regen wacht.
Als je de bui kunt voelen hangen kun je je weer een weg naar binnen zoeken. Naar onder
de bomen die je niet kunt zien maar wel kunt ruiken. Ik vraag me af of iemand
die kan zien noch horen het verschil tussen bomen zoveel beter kan ruiken. Ik ruik
alleen de kerstboom en natte bomen, maar misschien word je daar beter in als je niets
kunt zien en niemand het je kan zeggen.
Ik denk alleen dat jij en ik elkaar dat nooit zouden kunnen zeggen. Ik kan mijn handen
op jouw armen en je kunt misschien je mond zo doen en dat mijn oren dan - maar
elkaars talen kennen we niet, elkaars gedachten spreken we niet.




2